Brussel: in de voetsporen van Marguerite Yourcenar

terug


STADSWANDELING BRUSSEL: MARGUERITE YOURCENAR ACHTERNA

 


Start aan het Centraal Station.
Je vertrekt met de rug naar de hoofdingang van het Centraal Station en je gaat in de Keizerinlaan naar links. Meteen linksaf en je dwarst Kantersteen even naar rechts. Je gaat onder de arcade naar de Kunstberg. Achter ons prijkt een beeldenuurwerk.

Het uurwerk heeft een wijzerplaat in de vorm van een twaalfpuntige ster. Elk punt wijst naar een nis met een historisch figuurtje dat ronddraait als de ‘Jacquemart’ (een soort soldaat) op de klok het overeenstemmende uur slaat.

Stap naar rechts naar het ruiterstandbeeld van Koning Albert I. Links ligt het Albertinaplein met vernieuwd park. Je volgt even de Keizerslaan  voorbij de achterkant van de Koninklijke Bibliotheek Albert I (ook de Albertina genoemd) met onder meer het Museum voor Boekdrukkunst en het Boekenmuseum. Aan je linkerkant op het Gerechtsplein daal je de trap af die je in de Lebeaustraat brengt. Je laat de Strostraat links liggen en je komt uit op de Grote Zavel. Even vang je een glimp op van de Kapellekerk.

De naam van de Grote Zavel komt van de zavelrijke ondergrond in deze buurt. In 1301  bouwden de kruisboogschutters die de stad verdedigden hier een kapel die in de volgende eeuw uitgebouwd werd tot de kerk van O.-L.-Vrouw der Overwinning in flamboyante gotiek. Het plein van de Grote Zavel, waar ook een Minervafontein staat, werd een van de belangrijkste ontmoetings- en handelsplaatsen van antiquairs.

Aan de rechterkant vind je in de Zavelstraat op nr 9

 


1. Huis van Suzanne Lilar
De schrijfster Suzanne Lilar (1901 - 1992) woonde hier van 1976 tot aan haar dood. Telkens Marguerite Yourcenar in Brussel was, bracht ze een bezoek aan Suzanne Lilar. Ze hadden een gemeenschappelijke belangstelling voor Vlaanderen en zijn mystici, vooral de bekende Jan van Ruysbroeck (1293-1381). Suzanne Lilar was aanwezig bij de opname van Marguerite Yourcenar in de Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises de Belgique in 1971. Volgens Carlo Bronne was het Suzanne Lilar die Marguerite Yourcenar overtuigde van het project om ’Het hermetich zwart’ voor film aan te passen door André Delvaux. Deze laatste had al enkele werken van Suzanne Lilar verfilmd o.a. Benvenuta in 1983 naar ‘La Confession anonyme’. Tot dan toe had Marguerite Yourcenar, ontgoocheld door het verraad van Volker Schloendorff bij de verfilming van ‘Het Genadeschot’, elk dergelijk project geweigerd.

 

 


Je gaat door het park van de Kleine Zavel

Dit kleinere pleintje werd aangelegd in 1890 op de plaats waar van 1289 tot 1706 de begraafplaats van het Sint-Janshospitaal lag. Het plantsoen is symmetrisch van opbouw en staat tot aan de beplanting toe bol van symboliek. In het centrum staat het beeld van de graven van Egmont en Hoorn die zich onderscheidden door hun dapperheid ten tijde van Karel V en Philips II. Zij protesteerden tegen de inquisitie en werden op 5 juni 1568 op bevel van de hertog van Alva onthoofd op de Grote Markt. Voor het mooie smeedijzeren hekken dat het plantsoen omsluit staan 48 gotische zuilen met figuren die oude gilden en ambachten uitbeelden. Bovendien staan er nog 10 beelden van de beroemdste personen uit de renaissanceperiode (16de eeuw).

Je gaat rechtsaf langs het Egmontpaleis

Het Egmontpaleis werd gebouwd in 1533, op initiatief van de moeder van de beroemde graaf Lamoral van Egmont. Na enkele vergrotingen en verbouwingen in renaissancestijl kreeg het gebouw zijn huidige uitzicht in 1905. Heden worden er door het ministerie van Buitenlandse Zaken belangrijke nationale en internationale conferenties georganiseerd.

en verder langs de Wolstraat.

Het huis op de hoek van de Kleine Zavel en de Wolstraat is een herberg uit het begin van de 17de eeuw en heet ‘De Koning van Spanje’. Het gebouw valt op zijn kleine afmetingen en de mooie trapgevels. De linkerzijde van de Wolstraat is gevormd door een merkwaardige rij van 26 herenhuizen die tussen 1902 en 1905 gebouwd werden voor de hertog van Arenberg, de toenmalige eigenaar van het paleis en de omringende tuinen.

Tussen de nummers 32 en 34 vind je de

 


2. Marguerite Yourcenardoorgang
Het Hoofdstedelijk Gewest Brussel heeft de trap en de tuin aangelegd als ingang van het Egmontpark. Op vraag van het Centre International de Documentation Marguerite Yourcenar (CIDMY) uit Brussel kreeg deze groene ruimte de naam “Passage Marguerite Yourcenar Doorgang” Citaten werden gekozen uit ‘Het hermetisch zwart’ omdat het verhaal zich hoofdzakelijk in ons land afspeelt. Ze zijn gegraveerd in Frans steen en verdeeld over de hele ingang. De Nederlandse vertaling vind je aan de binnenkant van het hekken.

Mijn voeten trekken over de wereld
zoals insekten over de bladen ven een psalmenboek.
De vlakte, door populieren omzoomde weg
ontrolde voor hen een stukje van de wijde wereld.
voor mij gaat het erom meer dan een man te zijn.
Voorbij dat dorp andere dorpen,
voorbij die abdij andere abdijen,
voorbij dat fort andere forten,
en in elk van de gedachtenkastelen,
in elk van de wankelende bouwsels van persoonlijke meningen
die zich verheffen boven de wankele bouwsels van hout
en boven de kastelen van steen,
sluit het leven de dwazen op
en opent een poortje voor de wijzen. 
Aan gene zijde van de Alpen, Italië,
Aan gene zijde van de Pyreneeën, Spanje
En nog verder de zee,
en aan de ander kant de zee,
en andere oevers van de onmetelijke vlakte
Arabië, Morea, Indië, de twee Amerika’s.
En overal dalen waar men geneeskrachtige kruiden kan plukken,
rotsen waar zich metalen verschuilen
die elk voor zich een fase van het Grote werk symboliseren,
Toverformules, tussen tanden van de doden gelegd,
goden waarvan elk zijn belofte heeft,
mensenmassa’s waarvan elk individu zichzelf voor het middelpunt van het heelal houdt.
Wie zou zo dwaas zijn te sterven
zonder althans zijn gevangenis te hebben verkend?
Men is niet vrij
zolang men begeert,
zolang men wil, zolang men vreest,
misschien zolang men leeft.
Mijn beroep leek me nutteloos,
Hetgeen bijna even absurd is
als het op een hemelhoog voetstuk te plaatsen.
Wij weten minder van de paden
en de bestemming van een mensenleven
dan een vogel van zijn trekroutes.
 Maar op het ogenblik waren de verschrikte kreet van een Vlaamse gaai
de enige morgenbeden.
 Er moet elders een zeker iets bestaan dat volmaakter is dan wijzelf, een kostbaar goed waarvan de aanwezigheid ons verwart en welks afwezigheid we niet verdragen.
De mens is een onderneming die de tijd, de noodzaak, het toeval en de domme en steeds groeiende macht van het aantal tegen zich heeft….De mensen zullen de mens doden.
De kan op de wandplank was gevuld met ijskoud water,
Hij bevochtigde zijn gezicht en liet een druppel over zijn tong glijden.
Aqua permanens: voor hem zou dit het laatste water zijn.
Ik zal nooit ophouden me ervoor te verwonderen dat dit vlees, gesteund door zijn wervels, deze romp, met het hoofd verbonden door de nauwe gang van de hals en rondom voorzien van symmetrisch gerangschikte ledematen, een geest bevat –en misschien voortbrengt - die zich van mijn ogen bedient om te zien en van mijn bewegingen om te tasten….
Ik weet zijn begrenzingen en dat de tijd hem zal ontbreken om verder te gaan, of de kracht, zo de tijd toevallig vergund zou zijn.
Maar hij is er, en op dit moment is Hij die Is.
Moge het hem die misschien Is behagen het menselijk hart te verruimen tot de omvang van het hele leven.

 

 


Je wandelt door het Egmontpark (1,5 ha) voorbij de Orangerie (restaurant-brasserie) en je verlaat het park aan de kant van het Hiltonhotel. Je dwarst de Waterloolaan en aan de overkant naar rechts. Aan de Gulden Vlieslaan ligt de

 


3 Karmelietenkerk

Uit ‘Dierbare Nagedachtenis’ pagina 32:

“De arts die voor dokter Dubois in de plaats was gekomen, verklaarde dat de toestand van de jonge moeder naar omstandigheden vrij bevredigend was. De twee volgende dagen ging alles goed. Jeanne en Fraulein brachten elke morgen, na de mis in de Karmelietenkerk die juffrouw Jeanne voor niets ter wereld zou hebben verzuimd, een kort bezoekje aan Fernande.” Uit ‘Dierbare Nagedachtenis’ pagina 35:
“Een klein voorval van opmerkelijker aard, althans in de ogen van meneer de C., had de volgende dag plaats. Op een van de momenten waarop zij de kracht hervond om een wens kenbaar te maken, gaf Fernande uiting aan haar behoefte aan geestelijke bijstand. Zij bedacht dat zij meermaals de relikwieën had vereerd die in de Karmelietenkerk, waar zij met Jeanne heen was gegaan, waren uitgestald. In sommige ernstige gevallen werden de relikwieën wel bij zieken die dat verlangden thuis gebracht. Zij vroeg meneer de C. de overste van het klooster voor haar om die gunst te gaan verzoeken.”
En verder op pagina 35:
“De bij de Karmelieten vereerde relikwieën werden daarentegen in de wijk als wonderdadig beschouwd.”

 

 


Je stapt verder tot aan het Louizaplein. Louizalaan linksaf en je neemt de eerste straat rechtsaf: de Jourdanstraat (met eethuisjes) Je dwarst de Dejonckerstraat en aan kruispunt met Bosquetstraat vind je schuinlinks de Schotlandstraat die je naar links volgt tot aan nummer 24

 


4. Schotlandstraat 24
Het was in december 1892 dat de kinderen Cartier de Marchienne, Fernande (in werkelijk-heid heette ze Ferdinande), de toekomstige moeder van Marguerite, Jeanne de invalide en Théobald de  oudste broer, met hun gouvernante Fraulein het huis betrokken op nummer 24 in de Schotlandstraat.
Toeval of niet maar Michel de Crayencour die acht jaar later de echtgenoot van Fernande zou worden,  had toen tot voor enkele maanden het huis op nummer 13 bewoond. Hij had er drie jaar gewoond met zijn eerste vrouw Berthe de Lagrange. Michèle Goslar  schrijft in Yourcenars biografie ‘Qu’il eût été fade d’être heureux’ dat Marguerite dit wellicht nooit geweten heeft. Het huis is in detail beschreven in ‘Dierbare Nagedachtenis’, pagina 260:

“Zij (Jeanne) maakte de vroegere, met scharlaken beklede, echtelijke slaapkamer van Arthur en Mathilde tot de hare; Fernande kreeg de groene kamer; in de hare, die blauw was, hing Fraulein weer de foto van de Duitse keizerlijke familie op. Een kamermeisje en een keuken-meid, beiden uit Suarlée meegenomen, betrokken de vliering en het vochtige souterrain, en begonnen weer het zilverwerk te poetsen en de meubels te wrijven, te bakken, te roosteren, te koken en te braden.
Aan de muren van de veranda hingen bij wijze van versiering door de dames geschilderde bordjes; in een rechthoekige tuin stonden een paar bomen. Twaalf stoelen in stijl Hendrik II, en twee buffetkasten uit 1856 ongeveer, namen in een eetkamer van gemiddelde afmetingen alle ruimte in beslag. Een meer dan levensgrote kopie van de gebroken Kruik, door Arthur en Mathilde op hun huwelijksreis naar Parijs van een kunstenaar die in het Louvre werkte ter plaatse gekocht, troonde tussen de twee buffetten. Niemand, zelfs Arthur niet, had een ogenblik stilgestaan bij de onschuldig gewaagde betekenis van dat naïeve blozende kind met haar door een wanordelijke omslagdoek slecht bedekte borsten, die haar kruik, waarvan de bodem is ingeslagen, tegen haar heup drukt. Bij een in het Louvre gekochte kopie veronderstelde men niet zoveel onwelvoeglijke bijbedoelingen. De lieftallige kruikdraagster zou vijfendertig jaar over dit interieur heersen.”

In dit huis voltrok zich het huwelijk van de ouders van Marguerite Yourcenar op 8 november 1900. Het burgerlijk huwelijk had plaats op het stadhuis en het kerkelijk huwelijk in de kerk van Sint-Gillis in Sint-Gillis. Yourcenar dacht ten onrechte dat ze getrouwd waren in de kerk van het Heilig Kruis in Elsene.
Eredame op dat huwelijk was Jeanne Bricou, die later Jeanne de Vietinghoff na haar huwelijk met Conrad de Vietinghoff zou worden alias Monique uit ‘Alexis’, Valentine uit ‘Ana soror’,  Thérèse  uit ‘La Nouvelle Eurydice’ en Jeanne de Reval uit “Quoi? L’Eternité’

Een tweede  belangrijke gebeurtenis was de ontmoeting rond 16 oktober 1911 van de kleine Marguerite (ze was toen  acht en een half) en Jeanne (zesendertig) die de moederrol vervulde voor Marguerite. In ‘Wat? De Eeuwigheid’ pagina 218 lezen we:

“ Michel stuurde me (Marguerite) met de trein voor een dag naar Brussel onder de hoede van een kamermeisje om mijn invalide tante te bezoeken die haar drieënveertigste verjaardag vierde. Het was mijn laatste bezoek, hoewel ze nog minstens tien jaar te leven had, (…) Mijn tante hield theevisite voor dames die haar waren komen feliciteren. De tafel op de veranda, de favoriete plek van de invalide die ze bijna nooit verliet, pronkte met zijn geborduurde tafelkleed en servetten, en met het zondagse porselein waarop verrukkelijke gebakjes stonden. Men stuurde me gauw naar boven om mijn ‘nette jurk’ aan te trekken. De meeste gasten waren van middelbare leeftijd. Er waren ook oudere dames bij, familieleden en vaste vriendinnen van de vrouw des huizes, die alleen al door haar invaliditeit twintig jaar ouder leek. Allen leken me een beetje uit de tijd in hun stijve visitekleding, jurken of gegalonneerde mantelpakjes en kanten kragen. En Jeanne was er. Ze had haar reis in Brussel onderbroken om mijn tante op te zoeken, na een verblijf bij haar moeder in Den Haag, waar Egon niet meer met haar mee naar toe ging. Ze was niet veranderd. Haar gezicht was hetzelfde gebleven onder haar grote hoed die noch door struisvogelveren, noch door een dode vogel werd bedekt. In tegenstelling tot wat toen voor een nette vrouw die enig fatsoenlijke houding werd geacht, dat wil zeggen de knieën naast elkaar en bijna tegen elkaar aan gedrukt, en de handen slechts voor de helft van de handschoenen ontdaan, had zij haar handschoenen op de tafel gelegd en de ene knie over de andere geslagen, wat haar een verrassend vrije en ongedwongen houding leek te geven. Haar rok van zilvergrijze zijde, schuin gesneden, liep van de heup naar de knieholte en onthulde zo enkele centimeters van haar dunnen kousen en lage schoenen, in plaats van de rijglaarzen die nog door de meeste dames gedragen werden. Ze strekte haar armen naar me uit. Ik liet me er met vreugde in vallen. Haar kus, die tegelijk uit haar ziel, haar hart en haar lichaam kwam, schonk me onmiddellijk weer de vanzelfsprekende vertrouwelijkheid van vroeger, hoewel die vier laatste jaren zonder haar op mijn leeftijd bijna de helft van mijn leven uitmaakten. Ik had bij wijze van uitzondering over die jonge man willen babbelen, haar echtgenoot, die me vaak zandkastelen had helpen bouwen die snel door de zee werden weggespoeld. Maar het was genoeg dat ze er was. De huisbel rinkelde; andere dames verschenen; men haalde me weg. Ik was niet eens droevig. Het was genoeg te weten dat ze mooi was en een en al goedheid.”

 

 


Je gaat verder in de Schotlandstraat tot aan het kruispunt met de Berckmansstraat. Linksaf, steeds rechtdoor. Via de Goedheidsstraat kom je in de Louizalaan.

De mooie promenade die het stadscentrum met het Ter Kamerenbos verbindt, ontstond door de overdracht van het bos en een verbindende strook grond aan Brussel in 1864.
Deze strook bestond grotendeels uit slechtgebaande holle wegen door een heuvelend landschap met dorre, zanderige valleien…moeilijk te geloven als men langs de huidige ‘verstedelijkte’ snelweg wandelt. De mondaine laan die de plaats van het groene landschaap innam, werd genoemd naar de oudste dochter van Koning Leopold II.

Naar rechts tot aan

 


5.
Louizalaan 125
In dit huis woonde Christine Brown-Hovelt, de derde echtgenote van Michel de Crayencour na het overlijden van haar man. Ze blijft er amper 18 maanden. Ontgoocheld in Brussel keert ze in 1931 terug naar Zwitserland waar ze met  Michel had gewoond tijdens de laatste twee jaren van zijn leven.
Marguerite had hier haar kamer. Haar half-neef Georges de Crayencour herinnerde zich haar daar ontmoet te hebben met Kerstmis 1932 of 1933 maar volgen de gemeentelijke archieven moet hij zich vergist hebben: het kan alleen in 1929 of 1930 geweest zijn. De vrouw die hij Tante Marguerite noemde, droeg een grote bril van een bijziende en was vergezeld van een hond. Alleen de voorgevel is overgebleven, de rest is volledig verbouwd. Er bestaat een unieke foto van het interieur voor de verbouwing en het gaat precies om de kamer van Marguerite: een ruime kamer met laag plafond, meubilering art deco, boekenrekken langs de muren, reproducties van de fresco’s van de Sixtijnse kapel die ze mee zal nemen naar Petite Plaisance, een aardbol, een canapé gestoffeerd met luipaardmotief.
In het salon stond een groot familieportret van barones Charles de Chambge de Liessart uit 1772 (het portret zou nog bestaan) op een schildersezel want amateur-kunstschilder Christine Brown-Hovelt was dat portret toen aan het kopiëren.

 

 


Ga verder tot op de hoek met de Baljuwstraat. Zo ben je meteen aan

 

 


6. Louizalaan 193
Hier is alles begonnen. ‘Dierbare Nagedachtenis’ begint als volgt:
“De persoon, door mij aangeduid met het woordje ‘ik’, kwam op zekere maandag 8 juni 1903 ’s morgens omstreeks acht uur in Brussel ter wereld en werd geboren uit een telg van een oud Noordfrans geslacht en een Belgische, wier voorouders een paar eeuwen lang in het Luikse hadden gewoond om zich daarna in Henegouwen te vestigen. Het huis waar deze gebeurtenis plaatsvond – want elke geboorte is voor de vader, de moeder en enkele mensen die tot hen in een nauwe relatie staan, een hele gebeurtenis – stond aan de Louizalaan nummer 193 en is een jaar of vijftien geleden, opgeslokt door een groot flatgebouw, verdwenen”

De elegante woning met de Minerva op de hoek van de Baljuwstraat werd in de jaren 60 vervangen door een winkelgalerij. In de jaren 70 zocht Marguerite Yourcenar tevergeefs de gevel van haar geboortehuis. Er blijkt geen enkele foto van het vroegere huis te bestaan. De tragische dood van zijn echtgenote deed Michel de Crayencour het huis verkopen met de jaarwisseling. Volgens archieven van de nieuwe eigenaar telde het gebouw drie verdiepingen, een tuintje en een veranda.
De Louizalaan uit de Belle Epoque was al een laan met verschillende rijstroken. Ongetwijfeld was er al heel wat verkeer  want op pagina 22 van ‘Dierbare Nagedachtenis’ staat er:

“Bij lange tussenpozen was op het plaveisel van de Louizalaan het gedruis te horen van de laatste rijtuigen, die de mensen van hun soirees of het theater naar huis brachten, een lawaai dat wel wat werd getemperd door wat toen nog een vierdubbele rij bomen was.”
En op pagina 37 van ‘Dierbare Nagedachtenis’:
“Ze (Noémi) was het huurrijtuig nog niet uit, of ze kon al merken hoe de toestand van Fernande was. Want voor nummer 193 was het plaveisel van de laan bedekt met een dikke laag stro, om het lawaai van de rijtuigen te dempen. Deze bij ernstige ziekte gebruikelijke voorzorgsmaatregel had de buurt al van de kritieke toestand van de jonge moeder op de hoogte gebracht.”

 

 


Op het kruispunt van de Louizalaan met de Baljuwstraat  staat sinds 2003 het kunstwerk ‘Un Labyrinthe du monde’ van Jean-François Octave.

Je daalt de Lesbroussartstraat af naar het Flageyplein met het bekende radiogebouw in pakketboot-stijl. Rechts ervan staat de

 


7. Kerk van het Heilig Kruis
‘Dierbare Nagedachtenis’ pagina 34:

“Die veelbewogen week werd door nog een paar kleinere gebeurtenissen van minder belang gekenmerkt. De eerste was het doopsel. Dit had in alle eenvoud plaats in de onopvallende Heilig Kruiskerk, gebouwd in 1859 en sinds de tijd waarover ik schrijf wat opgekalefaterd, vermoedelijk om haar zo goed en zo kwaad als het ging te doen harmoniëren met het bouwplan voor een indrukwekkende Televisie- en Radiocentrum vlakbij. In deze parochie was Michel tweeëneenhalf jaar eerder met Fernande getrouwd. Behalve de pastoor en zijn koorknaapje waren er alleen de peter, meneer Théobald, juffrouw Jeanne, de meter, zoals altijd bijgestaan door Fraulein en haar kamermeisje, die zij haar twee stokken noemde, en mevrouw Azélie die het kind droeg en gauw weer bij haar zieke terug wilde zijn, aan wier bed zij op dat ogenblik vervangen werd door meneer en Barbara.
Het meisje ontving de namen Marguerite, naar de geliefde Duitse gouvernante die Margareta had geheten voordat zij voor iedereen juffrouw Fraulein werd; Antoinette, een naam, die samen met die van Adrienne, toebehoorde aan de afschuwelijke Noémi, wier gewone voornaam bepaald ouderwets en wat gek klonk; Jeanne, naar Jeanne de Invalide, en ook een beetje naar een vriendin van Fernande die onder andere deze voornaam droeg en die in mijn leven een vrij grote rol zou spelen; Marie, naar Degene die nu en in het uur van onze dood voor ons arme zondaars bidt; en tenslotte Ghislaine, een naam die in het noorden van Frankrijk en in België heel gebruikelijk is, omdat Sint Ghislain verondersteld wordt te beschermen tegen kinderziekten. De traditionele doosjes suikererwten waren van tevoren besteld; voordat ze konden worden afgeleverd behoefde alleen nog maar de voornaam van het kind in cursieve zilveren letters op het crèmekleurig kartonnen dekseltje, met een moeder-met-kind van Fragonard versierd, te worden gedrukt. Barbara heeft haar doosje lang bewaard. Een paar jaar later heb ik peinzend op de besuikerde amandelen gezogen, die witte kiezelsteentjes, hard en toch bros, afkomstig van mijn doopsel.”

Van de toenmalige buurt is niets meer overgebleven. Vooral tussen 1930 en 1950 werd er afgebroken en herbouwd. Het NIR-gebouw is beschermd en werd gerestaureerd. Alleen het interieur van de Kerk van het Heilig Kruis is nog hetzelfde als bij het begin van de vorige eeuw. Toen Marguerite Yourcenar bezig was met het schrijven van ‘Dierbare Nagedachtenis’ heeft ze die kerk bezocht met veel interesse te meer omdat ze verkeerdelijk dacht dat haar ouders in die kerk getrouwd waren (zie vorige tekst!) .

Aan de overkant van de straat liggen de Vijvers van Elsene, het begin van een groene long die uitloopt in het Ter Kamerenbos. Daar, in een vijver ligt het Robinsoneiland. Tot voor enkele jaren kon je aan de steiger een bootje nemen om naar het eiland te varen. Het laatste bootje zonk en werd niet meer vervangen. Het eiland is nu een echt schuiloord voor de vogels van het park.
Op dat eiland echter situeert Marguerite Yourcenar een bijzondere gebeurtenis uit haar kindertijd. In ‘Wat? De Eeuwigheid’ pagina 177:

“Maar wat ezels betreft had ik, toen ik nog kleiner was, al een Titania-achtige liefde gekend voor een grauwtje dat kinderen rondreed op een eilandje van het Ter Kamerenbos in Brussel, waar men mij voor enkele dagen mee naar toe had genomen toen we op bezoek gingen bij mijn invalide tante. Ik hield zoveel van dat ezeltje dat ik in snikken uitbarstte wanneer ik er, na drie rondjes om het eiland, weer afmoest. Michel stelde de eigenaar voor, het dier te kopen, maar de ezeldrijver was gehecht aan zijn broodwinning die blijkbaar de bijzondere gave had bij kinderen in de smaak te vallen. Bedroefd door dat eerste liefdesverdriet keerde ik naar de Zwarteberg terug.”

 

 


Je keert op je stappen terug en je negeert nu de Lesbroussartstraat op je linkerkant. Je volgt de Elsenelaan voorbij het gemeentehuis van Elsene tot aan de Naamse poort op de binnenring die je dwarst. Aan de overkant volg je verder de Naamse straat die afdaalt naar het Koningsplein.

Dit rechthoekige plein werd aangelegd op het puin van het Koudenbergpaleis, de aloude residentie van de hertogen van Brabant. Gedurende eeuwen was dit het centrum van het hofleven in de Nederlanden en in 1731 werd het door brand verwoest. De gebouwen (eind 18de eeuw) van architect Guimard, in klassieke Lodewijk XVI-stijl, vormen een regelmatig en harmonieus geheel. Centraal op dit plein staat het ruiterstandbeeld van Godfried van Bouillon, werk van Eugène Simonis (1848). De huidige classicistische kerk van Sint-Jakob-op-den Koudenberg werd in 1776-1785 gebouwd ter vervanging van de vroegere gotische kloosterkerk. Reeds in de 12de eeuw stond hier een kapel.

Links op de hoek van de Regentschapsstraat zie je het

 


8. Museum voor Schone Kunsten
Dit museum was een lievelingsplek van Marguerite Yourcenar. Brussel was voor haar zeker de stad van Fernand Knopff, van James Ensor en Jean Deville maar vooral van Pieter Breughel de Oude wiens huis men kan zien in de Hoogstraat en wiens grafzerk zich bevindt in de kerk van O.-L.- Vrouw ter Kapelle.
Uit ‘Dierbare Nagedachtenis’ pagina 45:

“Voor ik uit Brussel wegging, was ik mijn opwachting gaan maken bij de Breughels in het Museum voor Schone Kunsten. De schemering van een grijze novembernamiddag omhulde al De volkstelling te Bethlehem en zijn over de sneeuw verspreide volgzame dorpers, De val van de opstandige engelen, de laatsten met hun onmenselijke muilen, De val van Icarus uit de hemel terwijl een boer die in dit eerste vliegtuigongeluk niet geïnteresseerd is gewoon doorgaat met ploegen. Andere schilderijen uit andere musea leken achter deze op te doemen: Dulle Griet, die haar gerechtvaardigde, tevergeefse woede uitschreeuwt tussen de puinhopen van een in de as gelegd dorp; De kindermoord, de beklemmende pendant van De volkstelling; De Toren van Babel en zijn staatshoofd, eerbiedig begroet door de werklieden die voor hem die opeenstapeling van vergissingen bouwen; De triomf van de dood met zijn regimenten skeletten; en de misschien meest rake van deze allegorieën, De ene blinde leidt de andere. De grofheid, hebzucht, onverschilligheid tegenover het leed van anderen, de dwaasheid en domheid heersten meer dan ooit over de wereld, vermenigvuldigd als zij waren door de uitbreiding van de mensensoort en voor het eerst voorzien van de middelen tot totale verwoesting. De huidige crisis zou misschien tot een oplossing geraken, na slechts voor een beperkt aantal mensen te hebben gewoed; er zouden andere komen, elk verhevigd door de gevolgen van de voorafgaande crises: het onvermijdelijke was al begonnen. De suppoosten die met militaire pas door de zalen beenden om te melden dat het museum dichtging, leken aan te kondigen dat alles sloot.”

De Brueghelzaal was ook de plaats van een vrolijker ontmoeting. In 1971 was Liliane Wouters (° 1930, lid van de Koninklijke Academie voor Franse Taal en Letterkunde van België) met haar leerlingen op klasbezoek in het museum. Toen enkele leerlingen het schilderij De Val van Icarus van Breughel becommentarieerden, fluisterde plots een vrouw Liliane Wouters in het oor: “Maar wat interessant, Mevrouw”. En Grace Frick draaide zich om in de richting van de andere zaal: “Kom luisteren, Marguerite.”  Toen kwam Yourcenar de zaal binnen: groot was haar verrassing! Dat was enkele dagen na de opname van Marguerite Yourcenar in de Koninklijke Academie voor Franse Taal en Letterkunde van België.

 

 


Aan de overkant van het plein ontdek je de verrassende art-decogevel van ‘Old England’. Dit gebouw telt zes verdiepingen in de voor de art nouveaustijl kenmerkende staal- en glasbouw en het oorspronkelijke winkelpand werd na aankoop door de Staat ingericht als museum voor muziekinstrumenten. De rijke collectie omvat niet minder dan 6000 instrumenten.

Je stapt naar rechts voorbij  de kerk van Sint-Jakob-op-de-Koudenberg en je komt in de Koningsstraat. Vooraan in de straat links, tegenover de hoek van het park, zie je het vroegere

 


9. Hotel Errera
Dit gebouw hoort nu toe aan de Vlaamse regering: het interieur is heringericht in functie van de nieuwe bestemming maar heeft veel van zijn charme verloren. In dit hotel heeft Marguerite Yourcenar in de jaren 60 Georges Sion (1913 – 2001) ontmoet, de secretaris van de  Koninklijke Academie voor Franse Taal en Letterkunde van België.

Je stapt naar rechts voorbij het Koninklijk Paleis

Twee bestaande herenhuizen werden in 1818 via een centraal gedeelte van galerijen en paviljoenen samengevoegd tot residentie van Willem I. Dit was de aanzet tot het indrukwekkend architecturaal geheel in Lodewijk XVI-stijl waaraan ruim een eeuw gebouwd werd en waar de koning tot op vandaag nog zijn functie van staatshoofd uitoefent.

 

 


en recht vóór je vind je het

 


10. Academiënpaleis

Dit voormalige paleis van de Prins van Oranje is nu de zetel van de Koninklijke Academiën van België: Wetenschappen, Letteren, Schone kunsten, Geneeskunde,…

Hier werd  Marguerite Yourcenar op 18 april 1971 opgenomen in de Académie Royale de Langue et de Littérature Françaises de Belgique. De installatie had plaats in aanwezigheid van Koningin Fabiola. In haar toespraak die dag bracht Yourcenar mevrouw Errera in herinnering als een van de onzichtbare vrienden die haar opname in de Academie hadden voorbereid. Marguerite Yourcenar volgde de werkzaamheden van de Koninklijke Academie niet want haar bezoeken aan Brussel waren steeds te kort.

 

 


Je stapt nu links in de hoek het Warandepark in,

Het huidige park dateert uit het einde van de 18de eeuw en werd uitgevoerd in de klassieke stijl van de ‘jardin des Tuileries’ in Parijs….symmetrische, rechtlijnige lanen met vijvers en talrijke standbeelden. Het park speelde een historische rol tijdens de opstand van 1830, die het begin van de Belgische onafhankelijkheid inluidde.

Je gaat voorbij de fontein en je komt uit in de Wetstraat. Rechts ligt het

 


11. Nationaal Parktheater
Alleen dit theater in Brussel krijgt om protocolaire redenen de Koning en de Koningin over de vloer. Uit ‘Wat? De Eeuwigheid’ pagina 259:

“Ik heb in de loop van mijn leven drie mensen ontmoet die de indruk gaven van volstrekte integriteit. Wat ik over abbé Lemire heb gezegd, zal voldoende zijn. De tweede was Albert I, Koning der Belgen. Ik ben nauwelijks met hem in aanraking geweest – het was in Brussel waar ik in 1930 of 1931 enkele dagen vertoefde vanwege eerder genoemde erfenisproblemen. Ik was naar een matinee gegaan van de Comédie Française die, goed of slecht, een stuk van Pirandello bracht. Er waren weinig mensen. Ik zat alleen in een loge die naast de koninklijke loge lag. In de pauze treuzelde ik. De bel had al geklonken in de lange gang. Plotseling zag ik de koning, die met zijn adjudant praatte en me, ongewild, de weg versperde. Hij ging opzij, deed twee stappen terug, ging met licht gespreide armen tegen de muur staan en groette met een korte hoofdknik die jonge, onbekende vrouw die hij langs liet gaan. Verder niets. Maar dat gebaar van terugtreden was hem heel zijn leven vertrouwd geweest. Als je niet bot was, voelde je dat die geheel in het zwart geklede man, die van een traditionele hoffelijkheid was, de kracht had gehad, of de moed, of de wijsheid, om op eendere wijze de als bitter ervaren rampen en de late overwinning die er eigenlijk geen was over zich heen te laten komen. Een met nederigheid bekleed gelaat, zegt Dante. Maar nederigheid, die de houding is die elk nadenkend mens tegenover zijn leven aanneemt, is meer dan een kledingstuk.”

 

 


Je volgt de Wetstraat naar links, dwarst de Koningsstraat (Marguerite Yourcenar verbleef meerdere keren in Hotel Astoria). Je volgt even de Koloniënstraat rechtdoor en je neemt de Kanselarijstraat naar rechts in de richting van de Kathedraal Sint-Michiel en Sinte-Goedele. Je komt voorbij het standbeeld van Kardinaal Mercier.

Reeds in de 9de eeuw stond hier een kapel gewijd aande aartsengel Michaël. De in 1074 voor de relieken van Sinte-Goedele gebouwde Romaanse kerk werd van dan af de collegiale kerk van beide heiligen. Door brand vernield werd ze in 1200 herbouwd en vergroot. Het huidige bouwwerk lijkt wel een encyclopedie van Brabants-gotische stijlen, vanaf de periode van de Romaanse spitsbogen tot het hoogtepunt van de flamboyante gotiek. Niet verwonderlijk, want de bouw van het koor begon reeds in 1226 en de werken werden pas beëindigd met de afwerking van de noordelijke toren in 1480. In 1962 werd het heiligdom verheven tot kathedraal van het aartsbisdom Mechelen – Brussel. De kerk werd tussen 1957 en 1972 en dan nogmaals van 1982 tot 1999 grondig gerestaureerd. De torens zijn 69 meter hoog en er is een beiaard met 44 klokken.
Sinds de begrafenis van hertog Jan II van Brabant in 1312 fungeert de kerk als prestigieus kader voor belangrijke ceremonies zoals prinselijke en koninklijke huwelijken en uitvaarten. In het interieur kan men in de dwarsbeuk tussen de twee torens prachtige glasramen uit de 16de eeuw bewonderen evenals in de door prachtige smeedijzeren hekkens afgesloten zijkapellen en de rondgang van het koor. Opvallens zijn ook de vijf met treurende engelen versierde biechtstoelen uit 1662 en de preekstoel uit 1699 met de afbeelding van Adam en eva die verjaagd worden uit het paradijs. Let ook op de beelden van de twaalf apostelen tegen de pilaren van de hoofdbeuk en de talrijke grafkelders en praalgraven. Het orgel heeft een nieuwe, opvallende plaats gekregen om opnieuw van de achtergevel te kunnen genieten.
In de linker zijbeuk biedt een trap toegang tot de fundamenten van de vroegere Romaanse kerk waarvan het grondplan in tegels van lichtere kleur werd afgetekend op de vloer van de kathedraal.

Je gaat verder naar beneden, links van het plantsoen. Je steekt de Keizerinlaan over en voorbij het Spanjeplein volg je de Bergstraat en aan de overkant van de Grasmarkt ga je in de Spoormakersstraat. Eerste straat rechtsaf, tussen de restaurantjes. Aan het begin van de Amigostraat zie je het

 


12. Hotel Amigo
In dit hotel, gebouwd in 1956 op de plaats van de oude gevangenis van 1552, verbleef Marguerite Yourcenar in 1986 bij haar laatste bezoek aan Brussel
. Ze waardeerde de mooie, oude meubilering maar vooral de nabijheid van de Grote Markt. Ze was toen in gezelschap van Stanley Crantson, een vriend van wijlen Jerry Wilson. In de bar van het hotel ontmoette ze André Delvaux op 27 april 1986. De eerste contacten voor de verfilming van ‘Het  hermetisch zwart’ dateerden van begin 1982. In juli van dat jaar antwoordde Marguerite Yourcenar op een eerste nota: “Erg onder de indruk… Bij het lezen van uw tekst dacht ik bij mezelf: dat is nog iemand die ik gaarne zou leren kennen.” De relatie tussen beide kunstenaars was hartelijk. Gedurende anderhalf uur hadden ze het over de invulling van een aantal personages voor de film. Ze zouden mekaar een laatste maal zien in Parijs op 19 maart 1987, enkele maanden voor haar overlijden. Yourcenar heeft de film nooit gezien: de film was pas in mei 1988 uit.

 

 


Je neemt de Karel Bulsstraat rechtsaf en je bent op de

 


13. Grote Markt

De rechthoekige vorm van de Grote Markt dateert uit de 15de eeuw. Ze is 109 m lang en gemiddeld 60 m breed. De bouw van het stadhuis begon in 1402 en duurde tot 1450. Het gebouw in gotische stijl heeft twee asymmetrische vleugels aan weerszijden van een elegante klokkentoren van 91 m hoog. Het is het werk van meester-metselaar Jan van Ruysbroeck. De merkwaardige, pijlvormige toren wordt bekroond door een 5 m hoog beeld van de Aartsengel Michaël in verguld koper. Talrijke gildenhuizen met prachtige barokgevels omgeven het plein. Onder deze vermelden we er slechts enkele. Links van het stadhuis werd het smalle huis ‘De Sterre’ herbouwd op de arcade boven het grafbeeld voor de Brusselse held Everaert ’t Serclaes, verdediger van de gemeentelijke privileges en vermoord in 1388. Het volksgeloof wil dat het wrijven  over de arm van het beeld geluk brengt… maar ook de talrijke toeristen willen zich deze kans niet ontzeggen, wat aan het beeld duidelijk merkbaar is. Ernaast zien we ‘De Zwane’ waar Karl Marx en Engels in 1847 hun fameuze manifest schreven en waar in 1885 de Belgische Arbeiderspartij gesticht werd. Dan volgt “In den Gulden Boom” of het “Brouwershuis”, herkenbaar aan het ruiterbeeld van Karel van Lotharingen. Een geheel van gildenhuizen verenigd onder één brede voorgevel vormt het huis van de hertogen van Brabant waarvan enkele gewelven een bezoek waard zijn. Daarna volgen “De Gulden Boot” met zijn flamboyante vorm, “De Duif” waar Victor Hugo logeerde en een deel van zijn werk schreef (hij zei van het stadhuis dat het ‘trilde van poëzie, kunst en geschiedenis’) en het “Broodhuis” dat in 1875 wegens bouwvalligheid volledig gesloopt en gereconstrueerd werd. In dit huis werd het Stedelijk Museum ondergebracht met een rijke verzameling Brusselse kunstambachten en met ook de talrijke kostuums van ‘Manneken Pis’. Vemelden we nog “Den Coninck van Spagniën” (huis van de bakkers) en “Cruywagen” (huis van de vettewariërs – handelaars in zuivel en gevogelte), bij het publiek vooral bekend voor de typische taveernes die er zijn ondergebracht.

Volgende anekdote wijst op haar affectie voor dit prachtige plein. Georges Sion vertelde: “Toen ze in 1980 in Brussel was, belde ze me op en zei: “Ik ben voor drie dagen in de stad en heb dus drie avonden. Een is voor Carlo Bronte, een andere is gereserveerd voor Suzanne Lilar en de derde is voor u. Bent u vrij deze avond?” Ik vroeg haar of ze uit wilde eten. Ze antwoordde: “Waar u maar wilt als het maar dicht bij de Grote Markt is. Ik hou zo van de Grote Markt dat ik mezelf beloofd heb ze te voet te bezoeken iedere dag dat ik in Brussel ben.” Ik neem Marguerite Yourcenar mee naar een restaurant in de Beenhouwersstraat. Vele klanten in het restaurant herkenden haar. Ze glimlachten, deden een teken met de hand of zeiden iets bij het passeren. We spraken over Parijs, haar werk, Petite Plaisance. We hadden het ook over de Académie Française en het nakende grote moment. Ik vroeg haar: “Zult u ook een zwaard hebben?” Ze riep “Neen” zo luid dat de mensen  aan tafel dachten dat we ruzie maakten. Ze legde haar hand op de mijne met een gulle glimlach, wat onze buren geruststelde. Dan zijn we naar de Grote Markt vertrokken. Ze steunde op mijn arm en ging langzaam. Ze straalde bij het zien van de gevels, de lichten en de massa.” Ik heb dikwijls haar postkaart opnieuw gelezen die ze me ’s anderendaags opstuurde als herinnering aan het diner ‘zo dicht bij een van de mooiste decors van de wereld’.

 

 


Verlaat de Grote Markt aan de overkant rechts via de Vlees- en Broodstraat: zo kom je op de Grasmarkt. Naar rechts en via de Mercierstraat kom je weer aan het Centraal.

 

 


De opgegeven pagina’s verwijzen naar de vertalingen van Yourcenars werk:
‘Dierbare Nagedachtenis’ is een vertaling van ‘Souvenirs pieux’ (Le Labyrinthe du Monde I) door Ton van der Stap & Theo Duquesnoy, Uitgeverij Ambo bv, Baarn,  Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 1984

‘Wat? De Eeuwigheid’
is een vertaling van ‘Quoi? L’Eternité’ (Le Labyrinthe du Monde III) door Paul Beers in samenwerking met Judith Moesman, Uitgeverij Ambo bv, Baarn 1990

Wandeltraject en vertaling: Piet Hardeman

 

 


Bronnen:
Deze wandeling is een vrije bewerking van de ‘Balade sur les Traces de Marguerite YOURCENAR à Bruxelles ‘ van het Centre International de Documentation Marguerite Yourcenar (CIDMY), Huidevettersstraat 65 in 1000 Brussel http://users.skynet.be/yourcenar

In de oorspronkelijke Franse balade komen volgende plaatsen nog aan bod: het Kerkhof van Laken met de grafplaats van Michel de Crayencour, het Klooster van de Zusters van het Heilig Hart met de kostschool van Fernande de Cartier de Marchienne en Schermlaan 42 in Stockel waar Marguerite Yourcenar in 1980 werd uitgenodigd door haar  half-neef Georges de Crayencour. Deze plaatsen zijn echter niet meteen op wandelafstand van het centrum van Brussel.

De informatieve stukjes over belangrijke pleinen en gebouwen zijn ontleend aan de topogids  van GR BRU “Te voet door Brussel en omgeving” van SGR asbl, editie december 2002. Waarvoor onze dank.

Verder:
“Regards belges sur Marguerite Yourcenar” CIDMY bulletin 5, 1993
“Marguerite Yourcenar Regards sur la Belgique” Michèle Goslar Editions Racine, 2003

© Stichting Marguerite Yourcenar, Goeberg 3, 8954 Westouter  stichting.yourcenar@telenet.be

top



actielogo_natuurpunt.jpg    logo velt.jpg    logoJNM.jpg    logo SMY.jpg

 contact| disclaimer