|
van fazantenpark tot bossenmozaïek
Het verhaal van
de Gasthuisbossen – bij (oudere) Ieperlingen nog altijd gekend als de hospicebusschen – begint in de
13de eeuw, de gouden eeuw voor de lakenstad Ieper.
Belangrijke
Ieperse weldadigheidsinstellingen zoals het O.K.-Vrouw-Gasthuis, het
Sint-Jansgodshuis, het Bellegodshuis,… werden via schenkingen van rijke
Ieperlingen (die hun hemel wilden ‘kopen’) eigenaar van een aantal
bossen en landbouwgebieden ten zuidoosten van Ieper.
Deze gronden overleefden zeven eeuwen wel en wee en werden uiteindelijk
eigendom van het Iepers OCMW (de historische erfgenaam van de gods- en
gasthuizen).
In 1996 nam de
provincie West-Vlaanderen de OCMW-bossen in erfpacht voor 99 jaar.
Een nieuw provinciedomein van 200 ha bosgebied was geboren. Door
aankoop groeit de oppervlakte nog steeds: waar mogelijk wordt
uitgebreid, met als doel de deelbossen met elkaar te verbinden, zowel
landschappelijk als recreatief
De
Gasthuisbossen liggen verspreid over 7 deelbossen in de deelgemeenten
Zillebeke en Hollebeke. Zes van die bossen zijn gelegen tussen de
Meenseweg en spoorlijn 69 (Ieper -Kortrijk).
Ze zijn gelegen
op de zachte hellingen van de heuvelkam rond Ieper- de Ieperboog – waar
de afwisseling van bossen, weiden en akkers zich tot een aantrekkelijke
lappendeken aaneenrijgt.
De
Gasthuisbossen liggen dus op de heuvelrug “Ieperboog”, die zich vanaf
Wijtschate (80 m) over Hollebeke, Zillebeke (60 m) via Zonnebeke (50m)
tot voorbij Passendale (30 m) uitstrekt.
De hoogste kam
van de heuvelrug vormt de waterscheidingslijn tussen de IJzer en de
Leie: de Pappotstraat in Zillebeke volgt letterlijk deze grenslijn in
het landschap.
Langsheen deze
waterscheidingslijn ontspringen verschillende bronbeekjes, die veelal
ontstaan in de verspreide bosgebieden op de hellingen: de
Bassevillebeek, die deel uitmaakt van het Leiebekken ontspringt in het
Godtschalckbos en vele nevenbronnen in het Groenburgbos en de Vijverbeek
(die tot 1992 Zillebekevijver voedde) ontspringt in het Zwarteleenbos.
De Drieblotenbeek – één van de zuiverste beken in onze streek – zorgt
in het Drieblotenbos (onderdeel van het Hogebos) voor leuke
vegetatietypes van droog naar nat.
De Gasthuisbossen
behoren tot de Zandleemstreek, waar plaatselijk een vrij dikke
zandbodem, gemend met silexkeien voorkomt.
Tot de middeleeuwen bleef dit een zeer bosrijk gebied, minder geschikt
tot ongeschikt voor landbouw.
Door de sterk
bevolkingstoename van Ieper in de 13de eeuw werden deze
marginale gronden ook in landbouwproductie genomen.
Door over
exploitatie en overbeweiding ontstonden de zogenaamde ‘wastines’:
gedegenereerd bos met schrale plantengroei, gedomineerd door Brem en
Stuikheide.
Toponiemen als
‘Passendaleveld’ wijzen hier op.
In de 19de
eeuw echter (industrialisatie) nam de vraag naar (mijn)hout erg toe, en
werden deze wastines beplant met naaldhout, in hoofdzaak Grove den en
Zwarte den.
Tijdens WO I
vormden de Gasthuisbossen de Ypres Salient, de frontlijn voor vier
lange jaren. Een algehele kaalslag was hier ondermeer het gevolg van.
Na WOI was de
toenmalige Ieperse Commissie voor Openbare Onderstand (nu het OCMW) één
van de weinige openbare besturen die na de oorlogstijd actief aan
herbebossing deed.
Tussen 1923 en
1930 werden de bossen van de COO heraangeplant, min of meer volgende de
oorspronkelijke perceelsgrenzen.
Opnieuw werd in
hoofdzaak naaldhout en exoten aangeplant, uitgezonderd in het Zwarte
Leenbos en het Hogebos, waar vooral loofhout werd aangeplant.
De bossen bleven
wel gesloten voor het publiek: houtexploitatie en vooral de jacht
kregen absolute prioriteit.
Na enkele
pogingen – door o.a. de Ieperse Milieuraad, waarbij de bossen
gedeeltelijk en tijdelijk toegankelijk werden – keerde het tij voorgoed
vanaf 1996, toen de provincie het beheer van de Gasthuisbossen in
handen kreeg, via een langlopend erfpachtovereenkomst. Korte tijd later
werden geselecteerde dreven in de bossen voor het publiek opengesteld.
|