|
De
trend dat diersoorten die vroeger courant voorkwamen nu zeldzamer worden,
baart biologen zorgen. ‘Ook in de achtertuin is visie op biodiversiteit
nodig.'
‘De
kans dat je tijdens een wandeling een dagpauwoog, een citroenvlinder of
een klein vos tegenkomt, is dertig procent kleiner dan 15 jaar geleden',
zegt Hans Van Dyck, professor Ecologie aan de UCL. ‘Tien jaar geleden
toonden analyses al aan dat een derde van de Vlaamse dagvlindersoorten
was uitgestorven en een derde bedreigd was. Een derde was niet bedreigd
en kwam courant voor in het Vlaamse landschap. Maar nu zien we dat er ook
sterke klappen vallen in het derde van voorheen niet-bedreigde soorten.'
Van Dyck noemt die trend erg verontrustend. ‘Want ze is een illustratie
van een algemener fenomeen', zegt hij. Ook vogels zoals de veldleeuwerik
of de kievit, die vroeger overal op de akkers voorkwamen, zijn
ondertussen erg schaars geworden. ‘Veel mensen denken vaak dat het
biodiversiteitsvraagstuk zich beperkt tot zeldzame fauna en flora, maar
ook gewone soorten staan de laatste decennia erg onder druk.'
Hoe komt dat? ‘Het is een samenspel van verschillende factoren', zegt Van
Dyck. ‘Vlaanderen heeft snippers natuur. Dat zijn natuurgebieden die door
de overheid beschermd worden. Maar veel courante soorten zoals die
vlinders leven in het landschap tussen die snippers. Het probleem is dat
dat landschap de voorbije deccenia homogener is geworden. Minder
houtkanten, minder wilde bloemen en minder hoekjes en kanten die kansen
bieden aan insecten of vogels. Die eenheidsworst is slecht voor de
biodiversiteit.'
Van Dyck is ervan overtuigd dat een creatief beleid nodig is om deze
trend om te keren. ‘Maar het probleem is dat Vlaanderen voor het
beschermen en handhaven van natuurgebieden en bedreigde soorten alleen de
Europese richtlijnen prioritair vindt', zegt hij. ‘En de Europese
regelgeving richt zich vooral op soorten die op Europees gebied van belang
zijn. Dat zijn soorten die hoofdzakelijk in natuurgebieden voorkomen. Die
snippers natuur worden dan beschermd, maar het beleid laat het gebied
tussenin volledig links liggen.'
De richtlijnen waar Van Dyck het over heeft, zijn de zogenaamde vogelrichtlijn
(1979) en habitatrichtlijn (1992). Vlaanderen heeft gebieden moeten
afbakenen waar bepaalde soorten leven. Voor de vogelrichtlijn gaat het
dan om zeldzame vogels. De habitatrichtlijn beschermt bijvoorbeeld
bepaalde types duinen, heiden en vennen. Maar ook de gebieden waar
zeldzame diersoorten zoals de boomkikker of de gladde slang voorkomen. De
gebieden zijn ondertussen afgebakend, maar voorlopig wordt 90 procent
ervan nog niet goed instandgehouden. ‘Vlaanderen werkt nu de zogenaamde
instandhoudingsdoelstellingen uit. Dat blijkt een moeizaam proces. De
doelstellingen schrijven voor wat er in een gebied nodig is opdat
bepaalde dieren of planten duurzaam overleven.'
|