|
artikel
van Frederik Lapeirre -
WMFkoepel
“De Europese commissie zal België meer uitleg
vragen over het duivenweekend dat plaatsvond op 27 en 28 februari van dit
jaar. Het doel was om zo veel mogelijk Houtduiven te schieten om zo de
populatie onder controle te krijgen. “
“Vlaams milieuminister Joke Schauvliege gaat
een enquête organiseren om na te gaan hoeveel mensen al schade hebben
geleden Aan de hand van de resultaten zal ze beslissen of ze de jacht op
de Vos versoepelt.”
Deze twee
recente berichten uit de media wijzen op de terug opflakkerende discussie
over het afschieten van wild om schade te voorkomen. Over de duiven is er in West-Vlaanderen
al het één en ander te doen geweest met allerhande onderzoek, werkgroepen
en vergaderingen. Het nut van het
afschotweekend wordt blijvend in vraag gesteld en er moet gezocht worden
naar andere oplossingen. De Vos
heeft zich de laatste decennia op spontane wijze in geheel West-Europa
sterker verspreid, maar het aantal Vossen blijft sinds enkele jaren min
of meer gelijk. Het beter
beschermen van het pluimvee lijkt ons eerder aangewezen dan het bejagen
van de Vos om schade te voorkomen.
Bovendien eet de Vos ook heel wat duifjes...
Het omstreden ‘duivenweekend’ eind februari was een
initiatief van zowel de Boerenbond (BB) als de Hubertus Vereniging
Vlaanderen (HVV) en had als doel zoveel mogelijk Houtduiven te schieten.
De initiatiefnemers hoopten hiermee de populatie van Houtduiven in de
hand te houden om zo de schade die ze aanbrengen aan groenten, fruit en
granen te kunnen beperken.
Natuurverenigingen zijn van mening dat het massale afschot van Houtduiven
geen enkele invloed heeft op de broedvogelpopulatie in Vlaanderen en dus
ook niet op het beschermen van land- en tuinbouwgewassen tegen
vraatschade later op het jaar. Eind februari zijn daarenboven de meeste Houtduiven
in Vlaanderen trekvogels en behoren ze dus niet tot de plaatselijke
broedpopulatie.
In
Vlaanderen is de jacht op de Houtduif geopend van 15 september tot en met
de laatste dag van februari. Op basis van de Vogelrichtlijn en de
wetenschappelijke gegevens in verband met de Houtduiventrek, zou men echter
verwachten dat het jachtseizoen op deze soort op 31 januari moet sluiten
en niet op 28 februari. Daarom stelde Kathleen Van Brempt in samenspraak
met Vogelbescherming Vlaanderen volgende vragen aan de Europese
Commissie: 1) is de Commissie van oordeel dat met het duivenweekend een
overtreding begaan werd ten aanzien van de vogelrichtlijn? 2) is de
Commissie van oordeel dat wat dit betreft de Vlaamse jachtwetgeving in
overeenstemming moet worden gebracht met de Europese?
Het
antwoord van de Commissie is duidelijk: “Ten aanzien van trekvogels
zien de lidstaten er op toe dat de soorten waarop de jachtwetgeving van
toepassing is, niet worden bejaagd tijdens de broedperiode noch tijdens
de trek naar hun nestplaatsen. Voor de Houtduif loopt de trekperiode in
België van 1 februari tot en met 20 april. In Vlaanderen mag tussen 15
september en 28 of 29 februari op Houtduiven worden gejaagd. Deze
jachtperiode overlapt bijgevolg de trekperiode van de Houtduif. De
Commissie zal België verzoeken toe te lichten welke criteria zijn
toegepast voor de vaststelling van de jachtperiode voor de Houtduif in
Vlaanderen. Mocht blijken dat deze criteria in strijd zijn met de
Vogelrichtlijn, dan zal de Commissie passende wettelijke maatregelen
tegen België overwegen.”
Wordt dus
vervolgd...
Twintig
jaar geleden was er in Vlaanderen amper nog een Vos te bespeuren. De
dieren werden vroeger systematisch
in hun burchten vergast ter bestrijding van de hondsdolheid. Maar nu die
ziekte is uitgeroeid, rukken de Vossen sinds de jaren 90 weer zo snel op,
dat ze nagenoeg het hele grondgebied heroverd hebben.
“Heeft u ooit al een Vos in
levenden lijve gezien? Ondervindt u last van zijn aanwezigheid in de
buurt? Heeft hij u al schade berokkend door bijvoorbeeld uw kippenren
leeg te roven? Vindt u dat een intensieve bestrijding van de Vos
wenselijk is?” Met dat soort vragen wil Vlaams
minister van Leefmilieu Joke Schauvliege (CD&V) bij de bevolking
peilen naar het zogenaamde maatschappelijke draagvlak voor dat roofdier.
Aanleiding voor het onderzoek is het snel stijgende aantal Vossen in
Vlaanderen en de steeds nadrukkelijker vraag van jagers en
pluimveeliefhebbers om daar paal en perk aan te stellen. Want als je de Vos
laat begaan, dan is straks geen enkele patrijs, fazant, eend, kip of
kalkoen meer veilig. Dat beweren de Vossenvijanden toch. En vanuit steden
als Brussel, Antwerpen en Gent komen er steeds meer klachten over stadsVossen
die in de vuilnisbakken scharrelen.
De Vossenjacht
werd dit jaar al met een maand verlengd in een gebied dat zich uitstrekt
van Damme tot Ruiselede. Zeventig jagers van de Wildbeheerseenheid Drie
Koningen kregen van het Agentschap voor Natuur en Bos uitzonderlijk
toestemming om op Vossen te jagen tot eind deze maand. Nu mogen Vossen in Vlaanderen enkel overdag bejaagd
worden, van 1 oktober tot 14 februari. In stedelijke gebieden is elke
vorm van bejaging en bestrijding zelfs verboden.
Daar komt mogelijk verandering in, want naast een bevolkingsenquête heeft
minister Schauvliege aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek ook
de opdracht gegeven om na te gaan hoe de omringende landen hun Vossenpopulatie
onder controle houden. Daaruit blijkt dat onze buren er duchtig op los
knallen en bovendien over een heel arsenaal bestrijdingsmiddelen
beschikken.
Bejaging
biedt geen oplossing
Bij
bejaging zijn er immers 2 doelstellingen mogelijk:
Scenario
1 : lokaal geen Vossen
In dit
scenario wil men de Vos in een bepaald gebied dus volledig weg. Maar Vossen
zijn territoriale dieren; zij gaan dus een deel van het landschap
bezetten waarin zij geen vreemde soortgenoten dulden. Zo’n territorium
heeft
doorgaans
een oppervlakte van enkele vierkante kilometer. Het wordt in de regel
bezet door een (familie)groep bestaand uit een dominant koppel (niet
zelden aangevuld met wijfjes die zich niet voortplanten) en tijdelijk ook
een aantal jongen (één nest per territorium). Men kan ervan uitgaan dat
zowat het ganse Vlaamse grondgebied opgedeeld is in x aantal Vossenterritoria.
Indien men ervoor kiest dat er lokaal géén Vossen zijn, betekent dit dat
men één of meerdere territoria leegmaakt. Lege territoria worden evenwel
heel snel spontaan opnieuw ingenomen door andere, meestal jonge dieren
uit de (wijdere) omgeving. Wil men dit beletten, dan kan men best ook die
naburige territoria leegmaken. Maar in het dichtbevolkte Vlaanderen,
gekenmerkt door lintbebouwing en verspreide landelijke bewoning, zijn zo
goed als nergens stukken landschap te vinden ter grootte van een Vossenterritorium,
waarin niet tegelijkertijd ook kippenhouders wonen. Als men het gelijkheidsbeginsel
respecteert, dan moeten alle kippenhouders het recht hebben om in een
regio zonder Vossen te wonen en komt het er concreet op neer dat men de Vos
gewoon overal, in geheel Vlaanderen dient te verwijderen. Scenario
1 is dan eigenlijk een uitroeiingscenario : de Vos wordt als soort in
Vlaanderen volledig uitgeroeid. Dit is evenwel een visie die niet meer
van deze tijd kan zijn.
Scenario
2 : minder Vossen
In dit
scenario wordt gepleit het aantal Vossen per locatie te verminderen,
zonder ze allemaal te doden (beheersjacht). Men wil dus bewust een
minimumaantal Vossen in leven laten – zoniet vervallen we terug in het
vorige scenario. Minder Vossen op een bepaalde plaats zullen, globaal
genomen, dan ook minder (frequent) kippen kunnen gaan pakken, het aantal
gedupeerde kippenhouders en het aantal klachten zal afnemen. Maar de
eerlijkheid gebiedt duidelijk te stellen dat de individuele kippenhouder
absoluut géén garantie heeft dat zijn kippen vroeg of laat niet zullen
gepakt worden. Een Vos zal immers steeds de makkelijkste weg nemen om aan
voedsel te geraken – onbeveiligde kippen zijn zo’n makkelijke voedselbron
– en dit ongeacht of er nu één dan wel vijf Vossen in datzelfde
territorium
rondlopen. We moeten bij dit scenario ook
stilstaan bij het ‘vereiste
minimumaantal’,
en ‘welke Vossen’ dit dan wel zijn.
Willen we niet vervallen in het eerste scenario (= geen Vossen,
uitroeiing), dan is het minimum aantal dieren per territorium twee – en
meer bepaald een koppel. Met
andere woorden : zelfs al wordt het aantal dieren per territorium beperkt
tot het
‘toelaatbare’
minimum van één koppel per territorium, zonder extra-wijfjes en zonder
zwervers, dan zal er hoe dan ook in elk territorium een nest jongen
worden geboren. Het is precies in de periode dat er zo’n nest Vossenjongen
moet grootgebracht worden, dat de conflicten met kleinveehouders een hoogtepunt
kennen.
Heel vaak
wordt gesteld dat men als mens wel moét ingrijpen in de Vossenstand omdat
de Vos zelf geen ‘natuurlijke vijanden’ (wolven, beren, arenden,…) meer
heeft in onze streken. De stand van de Vossen wordt evenwel géénszins door
al dan niet verdwenen grotere roofdieren gereguleerd. Vossen doen immers
aan ‘sociale regulatie’. Daarbij spelen precies de onderlinge
territorialiteit én het aantal reeds aanwezige dieren een essentiële rol.
Zo zullen bij verhoogde sterfte (verdelging, ziekte,…) een groter aandeel
wijfjes aan de voortplanting deelnemen en zullen méér jongen kunnen
overleven dan zonder deze extrasterfte. Sterfte van een of enkele dieren
zorgt gewoon voor meer mogelijkheden en overlevingskansen van andere.
De enige
oplossing (naast totale uitroeiing) bestaat er in om de gepaste
voorzorgen te nemen opdat de Vos niet bij het kleinvee kan komen. In de
praktijk betekent dit een degelijke omheining, een gesloten ren, of een
afsluitbaar nachthok. Verhoogde bejaging creëert een vals gevoel van
veiligheid, en is voor de kleinveehouder niet de goede oplossing.
Een
brochure over de Vos met aanbevelingen om het pluimvee te beschermen kan
je hier
downloaden
|